Sarracenia purpurea in het wild in New Jersey, USA. 

In mijn vorige artikel, “Sarracenia purpurea in Zwitserland”, hebben jullie mijn ervaringen kunnen lezen van mijn bezoek aan een populatie van S. purpurea subsp. purpurea die gedijt in een hoogveenmoeras nabij het meer van Geneve in Zwitserland. Die dag was voor mij onvergetelijk, maar de ervaring die ik toen heb opgedaan is overtroffen. Ik heb in het najaar van 2008 de planten in hun echte natuurlijke omgeving in de Verenigde Staten mogen aanschouwen!

De afgelopen herfst heb ik samen met m’n vader een bezoek gebracht aan “the capital of the world”, “the big Apple”, oftewel: New York. Ik wilde al jaren graag eens voelen hoe het nou eigenlijk is om in de stad der steden te lopen, dus heb ik begin 2008 samen met m’n vader een reis naar New York geboekt. Het was een heerlijk vooruitzicht om naar de Verenigde Staten te gaan, dit land heeft gewoon iets wat andere landen niet hebben. We hadden een reis geboekt van 7 nachten in oktober, genoeg tijd dus om de stad van binnen en van buiten te bekijken.

Maargoed, als vleesetende planten liefhebber wil je eigenlijk altijd wel iets vleesetends meepikken als je de kans krijgt. Ik wist dat het verspreidingsgebied van S. purpurea subsp. purpurea en D. filiformis subsp. filiformis ook in de omgeving van New York lag, dus ik ben rond gaan googlen en mailen in de hoop een leuke locatie in de buurt te vinden waar vleeseters in het wild groeien. Het was belangrijk dat de reisafstand niet te groot was, we moesten de locatie tenslotte in één dag kunnen bezoeken. Tijdens m’n zoektocht ben ik bij 2 locaties in de New Jersey Pine Barrens uitgekomen die qua afstand goed te bereiken waren, en die er interessant uitzagen om eens een bezoek aan te brengen. Je raad het al, het is een combinatie van deze twee locaties geworden. Beide locaties liggen in vogelvlucht op ongeveer 90 km afstand van New York City, en zijn qua afstand dus goed te bereiken. Maar omdat we liever niet zelf met de auto in New York rond wilden rijden, hebben we de trein gepakt naar de 70 km zuidelijker gelegen stad Trenton, en hier voor een dag een auto gehuurd. We hadden de kleinste klasse auto gereserveerd, de auto die we kregen was een Chrysler PT Cruiser, in mijn ogen niet bepaald een kleine auto. Maargoed, dat zal wel typisch Amerikaans zijn, als je in de VS rondrijdt hoort rijden in een stevige (en vaak schadelijke) auto er nou eenmaal bij. De twee verschillende locaties die we hebben bezocht zijn het meertje Pakim Pond, en het overweldigende Webb’s Mill bog.

De wekker stond al vroeg. Normaal gesproken heb ik er een hekel aan om vroeg op te staan, maar in dit geval had ik er absoluut geen moeite mee! Er stond me namelijk een mooie dag te wachten. Na een typisch Amerikaans ontbijt (wafels met slagroom en hamburgers, veel meer was er niet in ons drie sterren hotel), pakten we de shuttle bus naar Newark Airport, één van de belangrijke luchthavens van New York City en Jersey City. Bij de luchthaven pakten we de trein richting Philidelphia. Een klein uurtje later stapten we uit in Trenton, waar we door de autoverhuurmaatschappij op het station werden opgehaald. Na op het kantoor wat papieren ingevuld te hebben, kregen we de auto mee en vertrokken we in zuidoostelijke richting, richting de New Jersey Pine Barrens. Het was leuk om door het typische Amerikaanse landschap te rijden. Het zag er allemaal heel herkenbaar uit, net als in de films. Veel houten huizen met grote veranda’s aan de voorzijde. Het wegensysteem in de Verenigde Staten is overigens heel logisch opgezet. Bij een kruising worden simpelweg de richtingen noord, oost, zuid en west weergegeven. Op deze manier is het niet moeilijk de weg te vinden als je de beschikking hebt over een goede wegenkaart.

Na ongeveer 40 minuten rijden kwamen we in een met naaldhout beboste glooiende omgeving terecht, we waren gearriveerd in de Pine Barrens. Het viel echter tegen om onze eerste locatie, Pakim Pond, te vinden. Via Google Earth heb ik gezien waar het lag, en wist ook wel op de kaart aan te wijzen waar we moesten zijn, maar om het in het echt daadwerkelijk te vinden viel tegen. Het meertje lag namelijk erg afgelegen in een dichtbebost gebied, en het stond langs de wegen nergens aangegeven. We besloten de weg maar eens te gaan vragen in een klein supermarktje langs de weg, waar normaal gesproken alleen maar locals komen en toeristen ver te zoeken zijn. Ik vroeg aan de caissière: “Excuse me, could you tell us where we can find the Pakim Pond?” “Hi hun!” zei ze vrolijk, maar ze bleek geen idee te hebben wat we bedoelden, dus riep ze een vaste klant in de winkel. Een behoorlijk stevige (de grond dreunde nog net niet), maar zeer aardige en goed gehumeurde zwarte man kwam onze kant op. “Where are you from?” vroeg hij met een typisch Amerikaans accent. “We are from The Netherlands” antwoorde ik. “OH MY GOD, you’re from Holland!”. “Yes, thats right” antwoorde ik. Hij begon meteen hele verhalen te vertellen over Cruijff en Van Basten en hoe goed ze wel niet waren. Na even gebabbeld te hebben kwamen we erachter dat hij ongeveer wist waar we het Pakim Pond konden vinden, en legde ons uit hoe we moesten rijden. We bleken er slechts enkele kilometers van verwijderd te zijn. Het viel ons op dat de mensen in de Verenigde Staten heel open, vrij en behulpzaam zijn, echt een enorm verschil tegenover de Nederlanders!

We arriveerden we eindelijk bij het meertje. Tijd om even frisse lucht op te snuiven en lekker met de camera in de aanslag de natuur in te gaan. Toch bleek het bij dit meertje in mijn ogen niet echt om “natuur” te gaan, het geheel zag er meer uit als een plaats waar heel veel mensen gaan recreëren, waar mensen gaan wandelen met de hond en de hond laten zwemmen, en waar groepen jongeren gaan camperen onder het genot van (te) veel alcohol en een kampvuurtje. Toch had ik op internet gevonden dat hier vleeseters groeien, er stond bij de parkeerplaatsen zelfs een informatiebord over vleesetende planten, dus ik bedacht me te gaan zoeken tot ik ze gevonden had.

Rondom het meertje liep een breed en veelbelopen wandelpad. We besloten linksom het meertje te lopen. Na enkele honderden meters gelopen te hebben kwamen we bij een terrein uit wat leek op een hoogveengebied. Ik dacht bij mezelf, “in dit gebied zullen ze wel staan”, dus ik haastte me het gebied in. Er liep een klein beekje door het hoogveengebied, wat in verbinding stond met het meertje. Er liep geen pad het gebied in, dus week ik af van het grote pad om te vegetatie beter te kunnen te bekijken, en hopelijk iets vleesetends aan te treffen.

De zoektocht duurde niet lang, al snel kwam ik erachter dat Utricularia purpurea rijk was vertegenwoordigd in het nauwelijks stromende beekje. Helaas was het najaar en stonden de planten niet meer in bloei. Ik was blij de eerste vleeseter soort gevonden te hebben, “we zijn in ieder geval niet voor niets gegaan”, dacht ik bij mezelf. Maargoed, de soort waar ik echt voor ging moest nog komen.

Ik volgde het beekje nog wat verder het gebied in, en het duurde niet lang of ik zag een meter of 10 voor me een rood tapijt op de grond. Nee, het was geen duur Perzisch tapijt uit Turkije, maar een veel mooier tapijt van duizenden Drosera intermedia planten. Zoals jullie wellicht weten komt D. intermedia in Nederland ook relatief veel voor. De exemplaren die ik hier aantrof waren diep rood van kleur, en klein in vergelijking met de planten die ik in Nederland op sommige plaatsen heb aangetroffen. De planten hadden een diameter van ongeveer 3 cm, en waren in grote getale aanwezig. Na nog een keer goed rondgekeken te hebben en nog wat foto’s te hebben gemaakt, besloot ik terug te lopen naar het pad waar m’n vader geduldig op de brug over het beekje stond te wachten, en stond te genieten van het natuurschoon. Hij gunde me alle tijd, de enige eis die hij vanzelfsprekend stelde was dat de auto op tijd terug moest zijn bij de verhuurmaatschappij. Eenmaal terug op het pad besloten we het pad te vervolgen. Na enkele honderden meters gelopen te hebben kwam het pad wat dichter langs het water. Ik probeerde zo dicht mogelijk langs de waterrand te gaan lopen omdat de vegetatie bij het pad er al behoorlijk droog uitzag, en de vleeseters dus waarschijnlijk vlak langs het water voor konden komen. In het water ontdekte ik al snel weer U. purpurea die massaal aanwezig was. De soort gedijde vlak langs de rand van het meer, in ondiep water tot ongeveer 50 cm diep. Er was echter nog geen S. purpurea te bekennen!

Direct langs het pad was een langgerekte strook met bekend voorkomende Sphagnum vegetatie die er geschikt uitzag voor S. purpurea. Het Sphagnum stond er echter heel verdroogd bij. Toch was het blijkbaar niet te droog voor S. purpurea, want al snel zag ik het eerste exemplaar van S. purpurea verstopt en ingekapseld tussen de Sphagnum staan. Ik was blij dat ik ze had gevonden! Het duurde even voordat ik echt besefte dat ik een Sarracenia purpurea dit keer op z’n volledig natuurlijke standplaats aan het aanschouwen was. De planten stonden in een strook van enkele honderden meters langs de rand van het meertje, en stonden alleen in de 0,5 – 1,0 meter brede strook van Sphagnum. Een groot verschil wat meteen opviel is dat de planten hier solitair groeien, en niet in grote plakkaten van 1 meter doorsnede zoals in Zwitserland. Daarnaast waren de planten zich in Zwitserland massaal aan het vermeerderen, dit was hier duidelijk minder het geval. Hieruit wordt wel duidelijk dat de planten in Zwitserland inderdaad woekeren zoals gezegd wordt.

Er was redelijk veel variatie tussen de planten. Er stonden planten tussen die op enkele rode puntjes na als de bekende purpurea f. heterophylla zouden kunnen worden aangeduid, maar ook groene planten met rode beadering en bekers die vrijwel geheel rood waren. Daarnaast waren er planten aanwezig met hele slanke bekers, en planten met dikke opgeblazen bekers. Genoeg variatie dus! Naast Sarracenia purpurea was ook Drosera rotundifolia in kleine aantallen aanwezig tussen het Sphagnum. Over deze locatie is verder niet meer zo gek veel te vertellen, ik denk dat de foto’s voor zich spreken.

Deze standplaats was heel indrukwekkend, omdat dit de eerste locatie was waar ik S. purpurea subsp. purpurea in haar natuurlijke omgeving heb zien groeien. Toch was dit niet echt wat ik voor ogen had bij een natuurlijke standplaats van S. purpurea, het viel me dus tegen. Met name door de recreatie zag alles er te gemaakt uit in mijn ogen, en was er weinig natuurlijks aan. Na eens rustig rondgekeken te hebben en een hoop foto’s te hebben geschoten, besloten we terug te keren naar de auto om naar de tweede locatie te gaan.

We volgden de weg een stukje terug tot we weer op de Route 72 zaten. Dit is een kilometerslange kaarsrechte weg door een groot aaneengesloten naaldbos. De naam van het gebied zegt het ook al, Pine barrens. Het gebied de New Jersey Pine Barrens bestaat eigenlijk uit een uitgestrekt naaldbos waar hier en daar was beekjes en riviertjes doorheen stromen. We zijn enkele beken tegengekomen, wat er echt prachtig uitzag. Het soms toch wel metersdiepe water was kraakhelder, je kon bij wijze van spreke de zandkorrels op de bodem tellen. De beken meanderen mooi en de bomen hangen over de oevers heen. Het zag er een stuk mooier uit dan de gekanaliseerde beken in Nederland! Het waren adembenemende plekjes waar de stilte en rust overheerste. De tweede locatie die we gingen bezoeken lag in zo’n beekdal, en heeft de naam “Webb’s Mill Bog”.

Ook bij deze locatie viel het niet mee om ‘m te vinden. Via Google Earth heb ik de exacte locatie van het moeras opgezocht. Omdat er een aangelegd knuppelpad door het moeras loopt, was ik er vanuit gegaan dat het moeras aangegeven zou staan langs de weg. Dit bleek absoluut niet zo te zijn. Ik had voor de zekerheid een kaartje uitgeprint met de ligging van het moeras. Toen we hier waren gearriveerd vond ik het vreemd dat er niets stond aangegeven langs de weg, en begon te twijfelen we wel op de goede plaats waren! We zette de auto langs de kant van de weg, en gingen kijken of we het moeras konden vinden. Er stroomde een beek met kraakhelder water, wat het hoopvol maakte het moeras ergens in de buurt te vinden! Het bleek echter onvindbaar. We gingen er vanuit dat we op de verkeerde locatie waren gestopt, en besloten de weg een stukje verder te volgen, er vanuit gaande toch ergens een bord met “Webb’s Mill Bog” aan te treffen. We volgden de weg tot aan Roosevelt City, een dorp aan de rand van de New Jersey Pine Barrens. We waren niets hoopvols tegengekomen. Ik begon bang te worden dat we de locatie niet zouden vinden. In Roosevelt City pakten we een lekkere bak koffie bij Starbucks, en reden dezelfde weg met volle moed terug in de hoop de locatie toch te vinden. We kwamen wederom bij de locatie uit die op de kaart aan stond gegeven als de locatie waar we moesten zijn. Op nieuw zetten we onze Chrysler PT Cruiser langs de kant van de weg, en gingen nog eens op verkenning uit. “Het moet hier gewoon zijn” zei ik tegen m’n vader. We liepen over de brug waar de beek onderdoor stroomde, maar er was niets te vinden. Tot ik ineens een smal paadje het dichte struikgewas in zag gaan, het was een pad van amper een halve meter breed. We liepen het pad in en volgde dit zo’n 30 meter, tot we uitkwamen bij het knuppelpad. We hadden het dus gevonden!! Ik sprong een gat in de lucht van blijdschap. Het moeras ligt zo goed verborgen, dat mensen die er niet gericht naar opzoek zijn het nooit kunnen vinden. Eigenlijk is dit gunstig, hordes toeristen kun je nou eenmaal beter niet hebben in zo’n uniek gebied. We liepen het knuppelpad op, en we keken echt onze ogen uit. Wat was dit een adembenemend plekje, zeker in vergelijking met de vorige locatie een werkelijk schitterend ecosysteem!

Het Webb’s Mill Bog is een moeras dat wordt gevoed door een met regenwater gevoede beek. Het moeras staat in aanraking met de beek, maar er is geen sprake van zichtbare water stroming. Sarracenia purpurea subsp. purpurea groeide hier rijkelijk. De planten stonden hier in tegenstelling tot de vorige locatie uitzonderlijk nat. De meeste planten dreven bijna op het water. Het waterniveau stond vaak tot aan de rand van de bekeropening. Ook hier groeiden de planten solitair, en was er veel kleurvariatie. Planten groeiden los in het water, in veenmoskussens en in drijftillen. Omdat het water soms tot in de bekers staat, zou het me niks verbazen als S. purpurea hier ook kleine waterorganismen vangt. Mocht dit zo zijn, dan is S. purpurea niet de enige die hier waterorganismen vangt. Er komen namelijk ook 3 Utricularia soorten voor. Het betreft U. cornuta, U. fibrosa en U. subulata. We waren helaas te laat in het jaar om ze in bloei te kunnen zien. Ik was even op m’n knieën gaan zitten op het knuppelpad, om het water in te kijken. Waar je ook keek waren de vallen van de Utricularia soorten duidelijk zichtbaar, het water zat er vol mee.

Naast Sarracenia en Utricularia komt ook Drosera filiformis subsp. filiformis in relatief kleine aantallen voor in het Webb’s Mill Bog. Deze soort was helaas bovengronds al afgestorven toen wij er waren in oktober. Alleen de verdroogde bladeren en bloemstelen waren nog zichtbaar, en daarnaast natuurlijk ook de winterrustknoppen. De soort groeide op kleine, relatief droge eilandjes (doorsnede van enkele meters) in het moeras. Ook D. intermedia en D. rotundifolia schijnen voor te komen in dit moeras, we hebben ze helaas niet aangetroffen. Langs het knuppelpad stonden verschillende informatieborden om bezoekers te informeren over de flora- en fauna in het gebied, en dan voornamelijk gericht op de vleesetende planten. Toch opvallend dat zo’n goed aangelegd pad vanaf de weg zo moeilijk te vinden is!

Vanaf het knuppelpad was, vanzelfsprekend, een deel van het gebied goed te bekijken. Maargoed, ik wist dat het de enige keer in mijn leven zou zijn dat ik op dit prachtige plekje zou komen, dus ben ik (“in het kader van nu we er toch zijn”) van het pad afgestapt en het water in gegaan. In een groot deel van het gebied kwam het water slechts tot de bovenrand van m’n bergschoenen, dus ik kon (mits ik goed oplette waar ik liep!) met droge voeten door het moeras lopen. Het viel op dat er nauwelijks een sliblaag aanwezig was, het leek wel alsof je op een harde rotsbodem liep waar een heel dun slib/zand laagje overheen lag. Wanneer je zo door het gebied loopt kom je echt schitterende plaatjes tegen, en zie je dingen die je vanaf het pad nooit had kunnen zien. Ik heb dan ook als een bezetene, vol adrenaline door het gebied gelopen en non-stop foto’s gemaakt. Dit uiteraard wel heel voorzichtig om het gebied zo weinig mogelijk te schaden. Naast vleesetende planten stonden er in het gebied ook hele interessante niet-vleesetende planten, zoals een Amerikaanse beenbreeksoort (Narthecium americanum), maar ook verschillende zegge- (Carex), snavelbies- (Rhynchospora) en (moeras)eiksoorten (Quercus), maar daarnaast nog veel en veel meer soorten die ik niet kan herkennen of niet ken. Mocht je geïnteresseerd zijn in vegetatieopnamen, even googlen en je vindt er genoeg!

Ik kan nog veel langer doorgaan met het beschrijven van dit prachtige moeras, maar eigenlijk zeggen de foto’s veel meer dan ik kan vertellen in deze tekst.

Ik vind het altijd fantastisch om vleesetende planten te mogen aanschouwen in hun natuurlijke leefomgeving. Deze dag is wederom een dag om nooit meer te vergeten, m’n vorige ervaring uit Zwitserland is overtroffen. Wat Sarracenia betreft kan deze ervaring alleen nog worden overtroffen door een bezoek aan locaties van waar soorten als S. flava, leucophylla, minor en alata in het wild groeien. Dat hoop ik in de toekomst nog eens mee te mogen maken. We zullen zien…